1.2 Van clown naar graalridder: de queeste

Steiner laat de mensheidsontwikkeling eindigen in een gemetamorfoseerde mensengestalte, opgebouwd als Geestmens, functionerend uit het Geestzelf en in eeuwig leven door de Levensgeest. Dit wezen plant zich niet meer voort; het leven (in de schoot van zijn Schepper) is eeuwig. Een voortdurende regeneratie vindt plaats vanuit de Levensgeest. De mens kan Geestmens worden na vele wedergeboortes, waarin hij zich losmaakt van de voortplanting, de seksualiteit.

De mens moet, wil hij Geestmens worden, dus af van zijn seksualiteit. De mens, de gehele mens(heid), moet zich verenen met de werking van de (inhoud van de) Graal(beker). Die werking is door Steiner bovenzintuiglijk beschreven en alleen te begrijpen met een zekere anatomische scholing. De reis die Parzival maakt, is de reis die de mens, de mensheid moet maken. De mens moet op zoek naar de Graal. Er is anatomisch inzicht nodig naast de bovenzintuigelijke waarnemingen en uitspraken van Steiner om het verhaal van de dolende Parzival te begrijpen, dat volgens Steiner het beste geschreven is door Wolfram von Eschenbach.

Soortgelijk is de inhoud van de Apocalyps. Het nieuwe Jeruzalem, de stad die neerdaalt uit de Hemelen, bevat de nieuwe mensheid, de nieuwe mens, de Geestmens. Johannes start zijn schouw, de Apocalyps, na de kruisiging op Golgotha.

Net voor de daad op Golgotha wordt de Graal, de beker van het laatste avondmaal gevonden en in de Graalburcht bewaard. Het bloed van de Christus wordt door een lansstoot in de rechterzijde van de Christus vrijgegeven aan de aarde; dit bloed is een andersoortig bloed dan het bloed van de mens, de mensheid.

De Graalburcht is volgens de bovenzintuigelijke waarneming van Steiner een systeem in de hersenen. Vanuit dat systeem gaan krachten uit, die de seksualiteit in stand houden. Eigenlijk kan de Graalburcht alleen maar gevoed worden uit het bloed van de Christus. Maar hij wordt gevoed uit het bloed van de mens. Dit is een lans die de hersenen pijnigt door de ontstane tweespalt, die veroorzaakt wordt door de kracht van de seksualiteit, aanwezig in het stuwende bloed.

Parsifal begint als een nar en eindigt als de heerser over de Graalburcht. De mensheid, de mens, begint onnozel en eindigt als Geestmens. De mens is dan de nieuwe heerser van de Graalburcht en heeft de oude heerser overwonnen.

Er moet verschil worden gemaakt tussen “de mens” en “de mensheid”. De mensheid bestaat uit alle mensen in een zeker tijdinterval. Hun basis gesteldheid is een afgeleide van de Melothesia, de mensenmal. De mens komt via deze mal ter wereld, vroeger zijn horoscoop. Als Parzival op reis gaat, als mens, dan geldt voor alle tijdenronden dat de Melothesia zijn basisgesteldheid bepaalt.

 

Steiner over Parzival en de Graal

Die Gralssage schildert in Bildern Vorgange im Menschen, die der okkulten Schüler beobachten kann, wenn er beim Einschlafen – nach dem Hinausgehen des Ich und Astralleibs – bewusst bleibt. Dann sieht er, wie die menschliche Wesenheit wie verzaubert in einer Burg lebt (Schädeldecke); wie das, was den Menschen mächtig macht, was durch die Nervenstränge heraufströmt, das Schwert ist, das er sich auf die Erde geschmiedet hat. Wie die Kräfte des Blutes gleichsam die blutende Lanze sind, die den Gehirnmenschen verwunden und wie ein kleiner edelster Teil des Gehirns nur von dem mineralischen Extrakt seiner Nahrung ernährt wird, der mit den edelsten Einstrahlungen durch die Sinnesorgane zusammengebracht wird (Himmelsspeise). Das Gefas für diese edelste Nahrung ist der Gral. Die beste Darstellung der Gralssage finden wir bei Christian von Troyes. Exoterisch (Gehirn) gemacht wurde die Gralssage 1180.

De Graalsage schildert in beelden processen in mensen, die de occulte leerling waarnemen kan als hij bij het inslapen bewust blijft. Dan blijkt, dat de mensheid als betoverd in een burcht leeft, hetgeen gelijkgesteld wordt aan het schedeldak van zijn wezen. Hij neemt waar hoe dat wat de mensen machtig maakt, wat door de zenuwstrengen naar boven stroomt, wat hij zelf als mens(heid) gesmeed heeft, het zwaard is dat hij zelf op aarde gesmeed heeft. Hij neemt waar hoe de bloedskrachten op overeenkomstige wijze de bloedende lansen zijn, die de hersenmensen verwonden. Hij neemt waar hoe een klein edelst deel van de hersenen slechts door een mineraal extract uit zijn voeding gevoed wordt, die met de edelste instralingen vanuit de zintuigorganen tezamen gebracht wordt. Het vat voor deze edelste voeding is de Graal.

De hypofyse in de hersenen stuurt de geslachtsklieren aan. Dat zijn de teeltballen bij de man en de eierstokken bij de vrouw. De pijnappelklier en de hypofyse liggen onder en aan de hypothalamus, die op zijn beurt weer onder de thalamus gelegen is. Het gehele systeem vormt de ondergrens van het menszijn. De pijnappelklier voedt zich met hersenzand, dat gewonnen wordt uit Calcium en Natrium. De pijnappelklier vormt aan zijn oppervlak korreltjes, die de kosmos spiegelen in de mens en de mens in de kosmos. Dit is de graal. De omgeving is de burcht, gelegen tussen twee heuvels en omringd met water, waarin de mensenvisser leeft.